De Grote Transitie

Manifest voor een duurzame en solidaire economie

De economische wetenschap en het milieu (deel 2)

In het artikel “Ons geldsysteem en het milieu” van 13 juni werd uitgelegd waarom voor de transitie naar een ecologisch duurzame economie en maatschappij een nieuw financieel systeem nodig is, waarbij het recht tot geldschepping weer toevalt aan de staat in plaats van zoals nu, aan private, winstgerichte banken. Enerzijds is dat omdat geldschepping in het huidige systeem, bij kredietverlening door banken, resulteert in schuld, renteverplichtingen en daarmee groeidwang. Anderzijds is het omdat het huidige geldsysteem de overheid de middelen onthoudt om de transitie te financieren. De overgang naar een systeem van publieke geldcreatie zou banken het recht ontnemen om uit het niets geld te scheppen door bedragen uit te lenen en vervolgens over die leningen rente in rekening te brengen. Dat is natuurlijk niet iets waar de banken op zitten te wachten, en het valt dan ook te verwachten dat banken op alle mogelijke manieren de transitie naar een nieuw systeem zullen proberen te voorkomen.

Toch ligt het voornaamste obstakel voor monetaire hervorming niet bij de banken. Die kunnen zich bij de maatschappelijke discussie over een nieuw geldsysteem, in het leven geroepen door het burgerinitiatief Ons Geld, vooralsnog verschuilen achter een beroepsgroep met een onevenredig grote invloed op het overheidsbeleid: het economendom. Het zijn de beoefenaars van de economische “wetenschap”, de economen, en degenen die zich economisch onderlegd achten, die het meeste verzet aantekenen tegen het idee van publieke geldcreatie.

Het is natuurlijk legitiem om kritische vragen te stellen over publieke geldcreatie. Zo is er het risico dat onverantwoordelijke politici het recht zouden kunnen misbruiken door, om de kiezers te behagen, teveel geld te scheppen. Dat zou echter ondervangen kunnen worden door de besluitvorming over geldcreatie bij een onafhankelijke monetaire autoriteit te leggen, bij een instituut als de centrale bank, die ook nu al onafhankelijk van de politiek opereert. Anderzijds zou zo’n instituut een verkeerde inschatting kunnen maken van de hoeveelheid te scheppen geld. Er zijn echter meerdere manieren om dat te voorkomen en om het, mocht het toch voorkomen, te corrigeren.

De kritiek van het economendom is echter van een andere aard. Hij is enerzijds gebaseerd op een buitensporig vertrouwen in de markt, en anderzijds een groot wantrouwen tegenover de overheid. Dat vertrouwen in de markt leidt er toe dat men geldschepping liever aan private banken overlaat: immers, zo redeneert men, de markt zal er voor zorgen dat de geldhoeveelheid in evenwicht blijft met het vraag naar en het aanbod van goederen en diensten. Anderzijds leidt het wantrouwen van de overheid bij voorbaat tot de conclusie dat die van het recht op geldschepping misbruik of een fout gebruik zal maken. Daarom, zo concludeert men, kan beter aan het huidige systeem vastgehouden kan worden.

De reacties op het burgerinitiatief bevestigen het bovenstaande. Meerdere economen, maar vooral ook economisch onderlegden in de Tweede Kamer (de financiële specialisten van partijen als VVD, D66, en PvdA) en de pers – met name “kwaliteitskranten” als het Financieel Dagblad en de Volkskrant – wezen het concept van geldcreatie door een (onafhankelijke) publieke instelling bij voorbaat af. Uit de reactie bleek dat dit meestal gebeurde zonder de voorstellen gedegen te analyseren, en al helemaal niet door steekhoudende tegenargumenten te presenteren. In plaats daarvan bleef het bij gemeenplaatsen en een verkeerde voorstelling van zaken van door het burgerinitiatief voorgestelde transitie. In de pers kregen tegenstanders van het initiatief wél de kans om hun verhaal te doen, maar voorstanders niet. Voor zover bekend nam slechts één econoom, emeritus hoogleraar Hans Visser van de Vrije Universiteit van Amsterdam, wel de moeite de voorstellen van niet alleen het burgerinitiatief maar ook die van andere monetaire hervormingsorganisaties goed door te nemen, en vond die althans ten dele “goed doordacht”. Echter, hij zag daar geen reden in voor een verdere analyse en een vergelijking van het huidige systeem met het voorgestelde. In plaats daarvan sprak hij de vrees uit dat een substantiële wijziging van instituties onbedoelde en onvoorzienbare gevolgen zou hebben. Met andere woorden: laten we alles maar bij het oude houden.

Onbedoelde en onvoorzienbare gevolgen zijn niet ondenkbaar, en er zijn risico’s verbonden aan een drastische wijziging in zoiets fundamenteels als ons geldsysteem. Echter, het risico dat de maatschappij en de mensheid als geheel op een ecologische ramp afstevenen is veel groter: het is bijna een zekerheid. De effecten van de aantasting van ons milieu is echter iets dat grotendeels buiten de denkkaders van de gangbare economie valt. Die gangbare economie concentreert zich op de vraag welke verdeling van schaarse middelen de meeste welvaart oplevert, waarbij die welvaart wordt uitgedrukt in geld. Die vraagstelling is terug te voeren op de oorsprong van de gangbare economie: de negentiende-eeuwse poging om van de toenmalige economische wetenschap een “harde” natuurwetenschap te maken door het basisconcept, de werking van de markt, in een wiskundig model vast te leggen.

Vrijwel de gehele standaardeconomie is terug te voeren op die misplaatste poging om de economische werkelijkheid in wiskundige modellen vast te leggen. Waarom misplaatst? Omdat economie gaat over menselijk handelen, en net als op niet-economische gebieden wordt dat handelen bepaald door zo’n groot en ingewikkeld complex van factoren dat het vastleggen ervan in een wiskundig model zonder de werkelijkheid geweld aan te doen onmogelijk wordt. Voor economische modellering worden dan ook vereenvoudigingen en veronderstellingen gebruikt die zo ver verwijderd zijn van de realiteit dat hun gebruik leidt tot een zwaar vervormde visie op die realiteit.

Daar komt nog een ander probleem bij. In plaats van economische modellen, de onderliggende aannames en de uitkomsten ervan te toetsen aan de realiteit en, zoals het een wetenschap betaamt, ze te verwerpen als die toetsing een inadequaat of zelfs foutief beeld van de werkelijkheid geeft, sleutelt men rustig verder aan het basis model en allerlei varianten daarop. Dit ondanks overweldigend bewijs dat de modellen niet werken, dat de onderliggende veronderstellingen onjuist of maar gedeeltelijk juist zijn. Dat maakt de gangbare economie eerder tot geloof dan wetenschap. En het maakt de op die modellen gebaseerde beleidsvoorschriften en –aanbevelingen tot dogma’s in plaats van wetenschappelijk onderlegd advies.

Voorbeelden van die dogma’s zijn dat door marktwerking privaat altijd efficiënter is dan publiek, dat belastingheffing ten koste gaat van het scheppen van welvaart, en dat hogere belastingen er toe leiden dat mensen minder gaan werken. Die dogma’s zijn niet volledig bezijden de waarheid, maar versimpelen haar op onacceptabele wijze: de werkelijkheid is veel complexer, en de effecten van privatisering en belastingheffing variëren niet alleen naar gelang de omstandigheden maar vooral, door de moeilijk te doorgronden menselijke factor. Veel economen en economisch onderlegden hebben daar geen boodschap aan: net als bij religieuzen worden de dogma’s van hun geloof gepresenteerd als universele en eeuwige waarheden.

Daar komt nog bij dat de economie zich – net als de markt – vooral bezig houdt met het hier en nu: men heeft weinig affiniteit met de lange termijn, en de meeste economische modellen hebben dan ook betrekking op of gaan uit van een tijdloos universum. En een nog groter probleem: alleen dat wat marktwaarde heeft, waarvan de waarde in geld uitgedrukt kan worden en dat dus een prijs heeft, wordt meegewogen.

Wat betekent dat nu voor het milieu? Ten eerste, dat het milieu nauwelijks wordt meegenomen in standaard economische analyses, omdat er geen marktprijs voor is. Weliswaar proberen goedwillende (milieu)economen met interesse en betrokkenheid bij het milieu de waarde ervan wel in geld uit te drukken. Maar dat blijft toch vooral een academische oefening, omdat die waarde zelden in de werkelijke marktprijzen van goederen en diensten wordt weerspiegeld. In het economisch en overige beleid van overheden en bedrijven worden die prijzen dan ook niet of nauwelijks meegenomen.

Geloof in markten en argwaan tegenover de overheid, met name de dogma’s dat marktoplossingen en een kleine overheid het best zijn voor economie en maatschappij, remmen de aanpak van milieuproblemen. Ze leiden er toe dat, als aangegeven, het idee van een nieuw monetair systeem gebaseerd op publieke geldschepping wordt verworpen. Evenals een centrale rol van de overheid in de aanpak van onze milieuproblemen: er is meer vertrouwen dat de markt ze wel op zal oplossen, eventueel met wat hulp van de staat gefinancierd door de belastingbetaler. En het beperkte en vertekende wereldbeeld van de reguliere economische wetenschap, of liever gezegd het economisch geloof, leidt tot het veronachtzamen van de milieuproblematiek en de nadruk op de noodzaak van een voortdurende economische groei die niet te rijmen valt met de eindigheid van de meeste natuurlijke hulpbronnen.

Er is dan ook een radicaal andere economie nodig. Een echte sociale wetenschap die ons ten eerste, een door analyse van de realiteit een veel beter begrip van de economische werkelijkheid kan geven dan de tot falen gedoemde pogingen die werkelijkheid in wiskundige modellen te gieten. En een toegepaste economie die de maatschappij kan helpen maatschappelijke doelen zo efficiënt mogelijk te verwezenlijken in plaats van zich blind te staren op het scheppen van zoveel mogelijk welvaart. Een economische wetenschap dus die zich openstelt voor oplossingen waarbij niet de markt maar de Staat, als vertegenwoordiger van het algemeen belang, een centrale rol krijgt, vooral wat betreft de aanpak van onze milieuproblemen. En een wetenschap die objectief wil bijdragen aan het afwegen van de verschillende opties en strategieën om de effecten van die opties te optimaliseren.

Overigens is de kans gering dat, op een (waarschijnlijk kleine) minderheid na, economen zelf tot het inzicht komen dat hun wetenschap opnieuw moet worden uitgevonden. De psychologische barrières voor zo’n erkenning zijn te groot, evenals de sociale druk van andere economen om zich te conformeren aan de bestaande denkkaders. Een andere rem wordt gevormd door de bestaande academische en economische belangen zoals carrièremogelijkheden, die ernstig belemmerd zouden worden door het teveel afwijken van de bestaande norm.

De druk tot het opnieuw opbouwen van de economische wetenschap en de hervorming van ons geldsysteem zal daarom vooral moeten komen van buitenaf. Daarbij kunnen vertegenwoordigers van de “echte” sociale wetenschappen, met een veel beter ontwikkelde methodologie voor het onderzoeken van het menselijk gedrag waar ook het economisch handelen deel van uitmaakt, een centrale rol spelen. Druk tot verandering zal vooral moeten komen van opiniemakers in de media, en van maatschappelijke organisaties, politici, bestuurders, natuurwetenschappers en technologie-ontwikkelaars die de noodzaak inzien van duurzame ontwikkeling. Vooral deze groepen hebben er belang bij dat, om hun doelen te kunnen verwezenlijken, de economische wetenschap op de schop gaat. Dat geldt met name voor politici, bestuurders en natuurwetenschappers De enorme groei van welvaart en welzijn in de afgelopen eeuw is immers vooral aan hen te danken, en het zijn ook de onderzoekers en technologen die de kennis en technologie die duurzame ontwikkeling mogelijk maakt verder moeten ontwikkelen. Anderzijds zijn het de politici en bestuurders die het mogelijk moeten maken dat die kennis en technologie ook daadwerkelijk worden ontwikkeld en op de benodigde schaal worden ingezet, al dan niet in samenwerking met het bedrijfsleven. En juist zij zien de verdere ontwikkeling en de toepassing van de ontwikkelde inzichten en technologie geblokkeerd door de schaarste aan geld dat inzetbaar is voor het algemeen belang. Een tekort dat het directe gevolg is van het foutieve economische en financiële beleid opgelegd door het economisch dogma.


Frans Doorman

Frans Doorman is lid van de Stichting Ons Geld en van het Platform Duurzame en Solidaire Economie, organisaties die streven naar respectievelijk monetaire hervorming en de transitie naar een duurzame en solidaire economie. Hij is de auteur van meerdere boeken over geld, economie en mondiale ontwikkeling, die gratis te downloaden zijn van www.new-economics.info. Een uitgewerkte kritiek op de economische wetenschap en de gevolgen van het falen daarvan is te vinden in het boek “Crisis, Economics and The Emperor’s Clothes” en de verkorte versie ervan, “The Common Sense Manifesto”.

 

« Naar overzicht