Veelgebruikte argumenten

Deel dit met je vrienden

Een goed gesprek

Sommige mensen vinden de roep om verandering onzin, anderen hebben inhoudelijke argumenten. En dan is er ook nog de categorie: “Het gaat toch goed?” “Je moet niet alles geloven wat je hoort!”

Wat kun jij aandragen als je in een discussie belandt met mensen?
Daarvoor hebben wij een aantal zaken op een rijtje gezet. Hieronder lees je een aantal argumenten tegen die noodzakelijke transitie, en een idee voor een antwoord. Zo kun je beter je mening vormen en sta je in een volgend gesprek wat steviger!

Deze lijst blijven we uitbreiden. Suggesties zijn welkom via onze contactpagina.

Circulaire economie en milieu

Wat men beweert:
Het maatregelen voor een beter milieu en klimaat zijn zeer belangrijk, maar het kost veel geld. Economische groei is dus nodig om te zorgen dat we goede maatregelen kunnen nemen

In het kort:
We vergeten in onze economische overzichten vaak de kosten van een vies milieu of de kosten van klimaatverandering op de lange termijn. Als we niets doen, zullen we die kosten straks (of vaak nu al) moeten betalen. Door eerst te kijken naar economische groei, stellen we maatregelen uit en worden te kosten straks hoger. Bovendien geldt voor een deel van de maatregelen dat ze helemaal niet zoveel kosten: energie die je niet meer gebruikt kost immers minder geld!

De gedachte dat milieubescherming geld kost is hardnekkig. Bij de laatste verkiezingen stemde een aanzienlijke meerderheid van de stemmers op partijen die het belang van economische groei voorop stellen. Op milieu hoeven we niet de beste in de klas te zijn, is de gedachte. We zijn, zo blijkt uit steeds meer lijstjes, inmiddels vaker de slechtste in de klas. Bijvoorbeeld als het gaat over het aandeel duurzaam opgewekte energie.

Bron: Eurostat

En we bungelen al een tijdje onderaan de lijstjes, terwijl de groei van onze economie goed loopt. In een jaar als 2019 heeft Nederland het vergeleken met andere landen economisch goed gedaan. Dan zouden we dus nu toch kunnen beginnen met milieu- en klimaatbeleid? Is het dan een kwestie van geld, of van gebrek aan prioriteit?

Een vies milieu en de gevolgen van klimaatverandering kosten ook geld. Niet alleen in de toekomst, ook nu al. Denk bijvoorbeeld aan de prijsverhogingen met 4,5% van waterschapsbelasting in 2020 die veel Nederlands verraste, of verzekeraars die hun polissen verhogen vanwege de toenemende kans op klimaat-schades. Zeker op lange termijn heeft dit gevolgen – en enorme kosten – en dat zou je nu eigenlijk al moeten berekenen. Doe je dat niet, dan laat je de volgende generaties opdraaien voor kosten waar wij nu economische voordelen van plukken. Dat is is geen economische groei, maar een lening van de toekomst.

Geldsysteem

Wat men beweert:
Commerciële banken kunnen geen geld scheppen, ze hebben allerlei beperkingen. De overheden hebben sinds de Kredietcrisis allerlei maatregelen genomen om dat onmogelijk te maken.

In het kort:
Er is verschil tussen munten & papier geld en het geld dat op je bankrekening staat. Het geld op bankrekeningen ontstaat op het moment dat er een lening wordt verstrekt door een bank. Ook na de kredietcrisis scheppen commerciële banken nog steeds geld op het moment dat ze een lening of hypotheek verstrekken. Met één druk op de knop maken ze nieuw geld en ontstaat er een schuld om die lening terug te betalen, met rente. Hoewel de regels wat strenger zijn, is geldschepping nog steeds in private handen. Net als de winsten (rente) en het is de vraag of we dat willen.

Bij geld denkt je misschien aan bankbiljetten of munten. Dat klopt wel, maar ons huidige geld bestaat nog maar voor ongeveer zeven procent uit contant geld. Het overgrote deel van de geldhoeveelheid – 93 procent – bestaat uit giraal geld. Computergeld. Dit zijn banktegoeden en dat zijn feitelijk schulden van de bank aan de rekeninghouder. Dit girale geld wordt voornamelijk door commerciële banken gecreëerd bij het verstrekken van leningen.

Hoe gaat dit in zijn werk?

Wanneer een bank een lening verstrekt, is de uitstaande lening een nieuwe bezitting voor de bank; de lener dient deze met rente af te betalen. Tegelijkertijd schrijft de bank een giraal tegoed bij op de rekening van de klant die de lening aangaat. Dit girale tegoed is een schuld van de bank aan de rekeninghouder; de rekeninghouder kan dit tegoed desgewenst opnemen in contanten.

Het lijkt magie, maar eerst is er niets en met 1 druk op de knop is er geld en een schuld

Geld, schuld en banken zijn in het huidige systeem dus nauw met elkaar verweven. Dat banken nieuw geld kunnen scheppen betekent niet dat dit een ongeremd proces is. Er zijn drie belangrijke factoren die geldcreatie in de economie beïnvloeden.

1 Gedrag

Ten eerste is dat het gedrag van burgers en bedrijven. Er moet vraag naar leningen zijn. Alleen dan kan er een lening worden verstrekt en wordt er nieuw geld gecreëerd. Daarnaast is het van belang wat burgers en bedrijven met dit nieuwe geld doen. Wanneer zij het uitgeven, kan het leiden tot extra bestedingen en blijft het in de economie. Wanneer zij er iemand mee betalen die met het geld een lening aflost, is het girale geld na één stap weer vernietigd. Want een schuld aflossen is het omgekeerde van geldcreatie.

2 Risico

Ten tweede zijn de balansrisico’s voor banken een beperkende factor. Banken lopen bij het verstrekken van een lening het risico dat deze niet wordt terugbetaald. Een bank moet voldoende eigen vermogen hebben om eventuele verliezen op te vangen. En omdat een giraal tegoed een schuld is van de bank aan de rekeninghouder, brengt het creëren hiervan ook risico’s met zich mee. Burgers en bedrijven kunnen het als contant geld opnemen of overmaken naar een andere bank. Om die betalingen te kunnen doen moet de bank wel voldoende reserves en contant geld hebben. Deze risico’s vormen een rem op geldschepping. Omdat de stabiliteit van banken van publiek belang is, bestaan er op dit gebied ook wettelijke eisen (kapitaal- en liquiditeitseisen) die remmend kunnen werken.

3 Beleid

Ten derde speelt monetair beleid een rol. Dit monetair beleid komt van de centrale bank. De rentes die de centrale bank hanteert hebben grote invloed op andere rentes, op wisselkoersen en op prijzen van aandelen en obligaties. Dit alles beïnvloedt de vraag naar leningen en de bereidheid van banken om die te verstrekken.

Deze tekst komt overigens uit het WRR rapport Geld en Schuld uit 2019.

Category: Geldsysteem

Groei en GDP (BNP)

Wat men beweert:
Bedrijven die een gezonde winst maken, hebben zo ook meer financiële ruimte om goed voor het milieu en hun personeel te zorgen. En wat is er mis met een beetje geld verdienen aan mooie spullen maken?

In het kort:
Een steeds groter deel van de financiële transactie – en de bedrijven die daar geld aan verdienen – hebben geen betrekking meer op ‘het maken van producten’. Juist beleggers en handelaren verdienen aan korte-termijn transacties, waarmee ze eigenlijk waarde onttrekken aan de echte economie.

Wat kan er nou mis zijn met het streven naar een goed rendement? Een belangrijk probleem hierbij zit ‘m in het feit dat voor de grotere ondernemingen het voordeel niet naar de werknemers gaat, maar naar de aandeelhouders. Doordat aandeelhouders steeds makkelijker en sneller hun beleggingen kunnen veranderen, hebben ze weinig interesse in de lange termijn van bedrijven. Ze maken hoge winsten door kostenreducties te eisen, door herinvesteringen uit te stellen en door aandelen terug te kopen en zo de marktwaarde van aandelen op de korte termijn te laten stijgen. Bedrijven die groeien doen het ‘goed’.

Steeds meer zien we dat de transacties van aandeelhouders, investeerders en financiële dienstverleners helemaal niet meer gaan om het financieren van bedrijven. De financiële markten zijn steeds meer losgekoppeld geraakt van de ‘echte’ economie. Kijk bijvoorbeeld naar de situatie in Amerika, waar de financiële sector een steeds groter deel van het GDP voor z’n rekening neemt ten opzichte van fabricage.

Hoe dan wel?

Datgene wat je meet om je succes te bepalen, wordt vanzelf het doel van de onderneming. Dus als je het succes van een onderneming gaat uitdrukken in korte-termijn winst, wordt alles in beweging gezet om dat te maximaliseren. Je ziet dus nu ook instrumenten ontstaan die anders kijken naar het succes van een organisatie. Welke zaken zijn belangrijk voor klanten, voor medewerkers en voor de maatschappij in het algemeen? Denk bijvoorbeeld aan de Economy of Common Goods matrix (in combinatie met SDG’s) of de Scale of Significance.

Wat men beweert:
Veel manieren om welzijn te meten zijn in de praktijk veel te zacht of te ingewikkeld. Het Bruto Binnenlands Product is juist heel precies en betrouwbaar.

In het kort:
Het begrip ‘betrouwbaarheid’ gaat ook over of iets doet wat het moet doen. Je kunt namelijk ook heel precies meten wat je niet hoeft te weten. Met het BBP vertalen we de vraag: “hoe goed gaat het met ons allemaal?” naar een cijfer dat we gebruiken uit de financiële economie. Veel dingen die wij belangrijk vinden (opvoeding, vriendschap, huishoudelijk werk, …) komen echter niet terug in het BBP.

Beter meten is noodzaak

Stel je voor: een vliegtuig met alleen een snelheidsmeter in de cockpit. Dat kan niet lang goed gaan. Daarom wordt er gevlogen met een dashboard met veel meer meetinstrumenten; waarop bijvoorbeeld ook een hoogtemeter zit en een indicator van de hoeveelheid brandstof aan boord. Voor het sturen van onze economie en welvaart is ook een dashboard nodig, want nu staren velen zich nog blind op de groei van het Bruto Binnenlands Product (BBP), de nationale snelheidsmeter. Om de metafoor maar even door te trekken: als je alleen op deze meter vertrouwt, wordt de kans groter dat je crasht.

De groei van het BBP is een zeer misleidende manier van meten, onder meer omdat de financiële gevolgen van allerlei schades zelfs positief worden meegeteld. Zo groeit het BBP bijvoorbeeld door branden en verkeersongelukken, door het schoonmaken van verontreinigd water, door verwoestende overstromingen, stormen, droogte of te veel regenval waardoor hele oogsten mislukken. Ook de waarde van opvoeding, huishoudelijke werk en ander vrijwilligerswerk tellen in het BBP niet mee. Maar als we een zachte winter hebben, dan daalt het BBP omdat we maar weinig gas hebben verstookt…

Het BBP is ook niet heel nauwkeurig.

Onderzoek naar de onderliggende data van het BBP leert dat we niet moeten vertrouwen op de nauwkeurigheid die het getal lijkt weer te geven. Het exacte moment van vaststellen van een cijfer terwijl de internationale in- en uitstroom doorloopt ligt erg gevoelig. Volgens nieuw wetenschappelijk onderzoek aan de Universiteit van Amsterdam komt de data onder het ene cijfer uit een groot aantal nationale en internationale bronnen. Hoe die data verzameld moet worden (rulebook) is sinds 1948 al vijf keer herzien. En als je cijfers van IMF en World Bank met elkaar gaat vergelijken blijkt er regelmatig een flink (paar miljoen dollar) verschil in de twee BBP’s te zitten. Een sluitende verklaring daarvoor ontbreekt nog.

Ontwikkelingslanden

Wat men beweert:
Grote multinationals zijn al druk bezig met duurzaam en sociaal ondernemen. Dit zie je terug in hun jaarverslagen en zelfs in de reclames op TV.

In het kort:
Een multinational opereert per definitie niet op een regionale schaal. Als ze spreken over zaken als bijvoorbeeld recycling, kan het best zijn dat daar duizenden kilometers transport bij zit. De top 100 bedrijven wereldwijd zijn vooral veel rijker geworden.

De grote internationale ondernemingen, zoals Amazon, Mac Donalds, Facebook, Starbucks en H&M houden natuurlijk goed in de gaten wat er speelt bij het grote publiek. Een schandaal kunnen ze niet gebruiken en de kans dat regelgevers dan ingrijpen is ongewenst. De vraag is of we uit deze hoek de grootste verandering moeten verwachten als het gaat om duurzaam en sociaal ondernemerschap. Die kans is kleiner. Een circulaire economie op een wereldschaal is wel een hele grote cirkel.

Tot nu toe nemen multinationals hun verantwoordelijkheid niet.

Voor het sluiten van kringlopen is het mondiale niveau meestal niet de beste schaal. Niet alleen door het bulktransport van goederen en grondstoffen over de wereld, maar ook omdat er in veel landen waar onze consumptiegoederen geproduceerd worden amper sprake is van wetgeving op sociaal en milieugebied, en als die er al is, stelt de controle op de naleving daarvan weinig voor. Het is – helaas – juist daarom dat veel multinationals hun productiecapaciteit naar deze landen hebben verplaatst in het verleden. Voor de belastingen zoeken ze weer andere plaatsen, waar voordelige regelingen te treffen zijn, zoals met Nederland.

‘Ideeën, kennis, kunst, gastvrijheid, reizen – deze dingen zijn vanwege hun aard internationaal. Maar laat goederen, waar het maar even kan, thuis gemaakt worden; en houdt, bovenal, de financiering in de eerste plaats nationaal.’ John Maynard Keynes (National Self-sufficiency, 1933).

Het zijn juist de krachten van de winst-zoekende multinationals die maken dat de wereldwijde handel zich maar lastig laat bewegen in een duurzame richting. Slechts 100 ondernemingen waren in 2017 verantwoordelijk voor zo’n 70 procent van de CO2 uitstoot wereldwijd. Hoe kan het dat een land als Nederland wereldwijd een belangrijke cacao verwerker is en nummer één importeur? Er groeit hier geen cacaoboon. En wat is de logica achter de hoge groei van export van varkensvlees naar China in 2019 ten opzichte van 2018?

Multinationals blijken zich in de praktijk toch vooral te richten op aandeelhouderswaarde. Hun marktkapitalisatie is de afgelopen 10 jaar behoorlijk toegenomen.

Hoe dan wel?

Door kortere lijntjes tussen producent en consument en door de vervaardiging van producten die kwalitatief hoogwaardig zijn, lang meegaan en goed kunnen worden hergebruikt, kan de consumptiedruk omlaag. Alleen met een circulaire en regionale economie die de noodzaak van economische groei achter zich laat kunnen wij de kwaliteit van leven borgen. Leuke initiatieven zie je bijvoorbeeld bij het ontstaan van voedselcoöperaties als Versvoko’s en Herenboeren. Een tweede voordeel is dat het geld ook beter lokaal blijft en we niet doorgaan met het spekken van de aandeelhouders van de top 100 bedrijven die alleen maar rijker en rijker worden.

Wat men beweert:
Arme landen hebben die armoede ook wel deels aan zichzelf te danken. Mensen zijn niet zo productief, dus logisch dat er minder verdiend wordt door zo’n land.

In het kort:
De ‘vrije markt’ is wereldwijd niet zo vrij als we denken. Waar multinationale ondernemingen hun arbeid (lage lonen) en belastingen (geen of weining) zó kunnen regelen dat ze winst kunnen maximaliseren, moeten arbeiders uit lage lonen landen concurreren met arbeiders uit het rijke westen, zonder de voordelen (scholing, kapitaal, infrastructuur, …).

Het is waar dat wij in het westen vaak efficiënt produceren. Veel theorie gaat over hoe het verhogen van productiviteit een verdienste is van een vrije markt. En het lijkt logisch dat een vrije markt alle bedrijven ‘dwingt’ om zo efficiënt mogelijk te produceren. Of het nou gaat om diensten of producten, de klanten kijken namelijk naar het totaalplaatje van kosten en kwaliteit. Dus als je minder efficiënt bent, verlies je het van je concurrenten en zal je marktaandeel steeds kleiner worden.

Je kunt je voorstellen dat dit model ook toepasbaar is op landen onderling. Dus zullen landen die een industrie of dienstverlening hebben die efficiënter is, ook een grotere internationale klantenkring hebben en daarom ook rijker zijn. Draai het om en je concludeert: arme landen zijn arm, omdat ze inefficiënt zijn, of zelfs lui. Maar het zit toch iets anders …

Een mooi voorbeeld geeft Ha-Joon Chang: kijk eens naar een taxichauffeur. Een taxichauffeur in Zweden verdient ongeveer 50 keer zoveel als een taxichauffeur in India. Als inkomen een maat voor productiviteit was, zou je verwachten dat de Zweedse taxichauffeur veel productiever was dan de Indiase. Dit is natuurlijk niet het geval. Er is geen directe mogelijkheid voor de Indiase chauffeur om te concurreren met de Zweedse chauffeur. Dit heeft vooral te maken met protectionisme. Er is geen vrije markt van arbeid. Juist het gebrek aan concurrentie leidt tot een ongelijke verdeling van hoge lonen landen en lage lonen landen.

Daarnaast geven rijke landen enorme subsidies – denk bijvoorbeeld aan de Europese landbouwsubsidies (in 2019 maar liefst 59 miljard euro) – waardoor ook een zeer oneerlijke concurrentie ontstaat. Door deze enorme subsidies is de Europese landbouwsector dominant in de wereld. Dat gaat ten koste van lokale boeren in ontwikkelingslanden. Zeker als deze landen worden ‘gesteund’ met goedkope landbouwproducten uit Europa.

Welvaart beter meten

Wat men beweert:
Doordat er rijke mensen zijn, die investeren en bedrijven oprichten, ontstaan er heel veel banen voor iedereen. Het is niet slim om deze rijke mensen meer belasting te laten betalen, want dan vertrekken ze en verdwijnen alle banen.

In het kort:
De rijke mensen in de wereld zijn op dit moment zo exorbitant rijk, dat ze niet weten wat ze met hun geld moeten. En ze worden ook steeds rijker. Sterker nog: hun vermogen groeit veel sneller dan dat van alle andere mensen. Het zijn dus vooral de rijke mensen die profiteren van de rest.

Nederland behoort tot de landen met de grootste verschillen in vermogen. Tien procent van de bevolking bezit maar liefst 68 procent van het totale vermogen; onder de rijke landen is alleen in de Verenigde Staten die ongelijkheid nog groter. Inkomens zijn de laatste veertig jaar, gecorrigeerd voor inflatie, gemiddeld niet gestegen, terwijl het BNP in die tijd is verdubbeld. We profiteren dus niet niet van de economische groei met z’n allen. In de ranglijst van landen van de OESO, de ‘club van rijke landen’, zijn er maar liefst 17 Europese landen waar de inkomensongelijkheid kleiner is dan in Nederland. De armste 10% van de bevolking is er de laatste dertig jaar 30% op achteruit gegaan waardoor bijvoorbeeld meer dan 10% van de kinderen in relatieve armoede opgroeit en overal in het land voedselbanken hard nodig zijn.

De New York Times kwam in 2017 met een interessante grafiek. Hier is te zien dat de groei in inkomens rond 1980 veel eerlijker verdeeld was dan in 2014. De rijkste mensen zien in de laatste 34 jaar hun inkomen steeds makkelijker stijgen. De armste Amerikanen blijven op 0 procent. Als het Trickle Down effect al bestond, is het nu in ieder geval stuk.

Wat men beweert:
De economische welvaart was nog nooit zo hoog in de moderne geschiedenis. Mensen moeten zich realiseren dat ons onderwijs, onze gezondheidszorg en onze veiligheid daarom zo hoog zijn.

In het kort:
De welvaart, gemeten in BBP, is inderdaad alsmaar aan het groeien. Het is echter de vraag of welvaart en welzijn van alle mensen in gelijke snelheid meegroeit. De inkomensverschillen groeien en daarmee samenhangend hebben – ook in welvarende landen – nog steeds grote groepen mensen geen toegang tot onderwijs, goed onderdak of zorg.

Het klopt dat de “welvaart”, gemeten in BBP sinds de vorige eeuw enorm is toegenomen. Wereldwijd groeide de BBP per inwoner van $ 2.850 in 1980 naar $ 11.460 in 2019.

Groei GDP per Capita, bron IMF

Een paar kanttekeningen

Het BBP (of het nationaal inkomen) is slechts een optelling van geldwaarden, geen maatstaf voor het welzijn of welbevinden van mensen. We brengen deze onderliggende indicatoren niet goed – of niet structureel – in kaart als we het over welvaart hebben. En economische groei zoals gemeten door het BBP geeft een verkeerd beeld vanwege de grote inkomensongelijkheid; wie profiteert uiteindelijk van die economische groei? Voor zover groei van het BBP gepaard gaat met groei van de consumptie, moet men zich afvragen in hoeverre toename van consumpties boven het niveau van basisbehoeften nog iets toevoegt aan het welzijn. Als tegelijkertijd met BBP-groei sprake is van ecocide en van uitputting van hulpbronnen moet men zich afvragen wiens welvaart en welzijn daarmee gediend zijn.

Sociale en milieukosten van voortbrenging van goederen en diensten waaraan geen monetaire transacties zijn verbonden worden niet in rekening gebracht. Dit worden daarom ook wel ‘externaliteiten’ genoemd.

Externaliteiten staan onder druk

Als juist datgene wat we niet goed meten onder druk staat, kun je dan spreken van toename van welvaart? 100 jaar geleden kon men nog uit verschillende rivieren drinken. Nu is milieuvervuiling en afval een grote bedreiging voor ons welzijn. Door deze, en andere, indicatoren mee te nemen in het meten van welvaart, ontstaat een beter beeld.

Werk en inkomen

Wat men beweert:
Een basisinkomen is ongelooflijk duur en zal zwaar drukken op de schouders van ‘hardwerkende Nederlanders’. Bovendien zullen de meeste mensen stoppen met werken en daarmee het systeem nóg zwaarder belasten.

In het kort:
Basisinkomen is betaalbaar, maar dan moeten er ook aanpassing van het stelsel voor sociale voorzieningen en het belastingregime plaatsvinden. Mogelijk is een beperkte verhoging van de belastingen voor de hogere inkomens of vermogens nodig. Je kan ook denken aan andere manieren van financiering zoals hogere belasting op vervuilende producten of financiële transacties.

Er wordt al veel geld rondgepompt

Er zijn verschillende manieren om het basisinkomen te betalen. Een basisinkomen van € 1.400 euro per maand voor volwassenen zou rond de 230 miljard per jaar kosten (Nederland heeft 12,7 miljoen volwassen inwoners). Dat is ongeveer 30 % procent van het bbp. Dat lijkt veel, maar realiseer je dat de overheid nu al meer dan de helft van het bbp beheerst (zorg, sociale zekerheid). Alle vrijstellingen, aftrekposten en heffingskortingen zijn daarbij niet eens meegerekend (meer dan 50 miljard per jaar).

Het basisinkomen kan ook worden betaald door een verhoging van het btw-tarief of van de vermogensbelasting (die momenteel onder het internationale gemiddelde ligt en in de afgelopen jaren steeds is gedaald), het verhogen van milieuheffingen of een belasting op grote financiële transacties. Er zijn dus verschillende manieren om het basisinkomen te financieren. Het is uiteindelijk vooral een kwestie van politieke wil. Er was immers ook geld om de banken te redden na de financiële crisis. En er blijkt een enorme hoeveelheid geld beschikbaar in de tijd van de Coronacrisis.

Haalbaar en betaalbaar

De vereniging Basisinkomen heeft een uitgebreide berekening van de haalbaarheid en betaalbaarheid van het basisinkomen gemaakt. Je vindt de berekening hier.

Niet iedereen stopt met werken

Uit een experiment met het basisinkomen in Canada, waar Rutger Bregman ook een aantal keer naar verwijst, blijkt dat mensen minder aantal uur betaald werk verrichten, circa 10% minder. Tegelijkertijd werd hun gezondheid beter: de ‎zorgconsumptie nam af met 10%.

De groepen mensen in deze experimenten die minder gaan werken zijn over het algemeen getrouwde vrouwen die ervoor kiezen langer zwangerschaps- of ouderschapsverlof te nemen en jongvolwassenen die langer studeren. Ze blijven zich dus zinvol inzetten voor de samenleving. Het probleem is echter dat we deze aspecten onvoldoende meenemen in het meten van onze welvaart.

Category: Werk en inkomen

Load More


Deel dit met je vrienden