De Grote Transitie

Manifest voor een duurzame en solidaire economie

Nieuwe Democratie op wijk- en dorpsniveau

In vroeger tijden had ‘de onderkant van de maatschappij’ de overheid hard nodig, vooral als bescherming tegen de grillen van grootgrondbezitters en industriebaronnen. Inmiddels is de wet- en regelgeving zo’n ingewikkelde jungle geworden dat de mensen aan de onderkant van de maatschappij er eerder last dan voordeel van hebben. Om het tij te keren, moeten we experimenteren met radicale vormen van zelfbeheer op wijk- en dorpsniveau. Wat zijn de eerste ervaringen en hoe kan het beter?

trabajo, techo en tierra

Ieder mens heeft recht op de 3 t’s: trabajo (werk), techo (huis) en tierra (grond). Dit was de opvatting van de Katholieke Kerk, althans volgens paus Franciscus in het unieke interview in de Utrechtse daklozenkrant Straatnieuws, in november 2015.

Werk en een huis, dat is duidelijk maar wat moeten we met dat derde recht? Vroeger had menigeen – zelfs in de stad – een lapje grond om wat groenten te verbouwen, of een varken te houden. Omdat loon of andere inkomstenbronnen niet voldoende waren om alle monden te voeden. Maar die tijden zijn hier toch allang voorbij!

Of moeten we dit drieluik eerder symbolisch opvatten? Zoals de Heilige Drie-eenheid ook naar iets anders verwijst. Werk staat voor inkomen, plus zingeving en status. Een huis is een privé-plek waar je beschermd bent tegen wind en regen, tegen dieven en nieuwsgierige buren. Dan staat grond symbool voor de naaste omgeving die je deelt met andere mensen. Zowel in positieve als in negatieve zin. Positief als je gezamenlijk een buurtfeest organiseert, spullen bij elkaar kunt lenen of groenten uit de volkstuin met elkaar deelt. Negatief als je last hebt van je buren of buurtgenoten, door geluidsoverlast of ander asociaal gedrag.

Wat we (niet) doen als de wijk verloedert

Werk en huisvesting zijn privé te organiseren, al zijn er allerlei maatschappelijke instituties nodig om de arbeids- en woningmarkt goed te laten functioneren. Bij de naaste omgeving is dat anders geworden. Sinds de uitvinding van de verzorgingsstaat kunnen buurtbewoners naar de gemeente stappen als de buurt verloedert. Kapotte lantaarnpalen, losliggende stoeptegels, onveilige verkeerssituaties, hangjongeren; wij vinden het vanzelfsprekend dat de gemeente of politie hier iets aan doet. Maar hoe krijg je persoonlijk contact met iemand binnen het gemeentelijk apparaat, als je niet overweg kunt met de digitale klachtenformulieren? En wat te doen als de nodige verbeteringen achterwege blijven en de gemeente niets meer van zich laat horen? En als we zien dat in buurten waar welgestelden en hoogopgeleiden wonen, de openbare ruimte wél goed verzorgd wordt?

Dan gaan we mopperen, niet langer bij maar op de gemeente en de (plaatselijke) politiek. Of we vinden dat andere buurtbewoners hun verantwoordelijkheid moeten nemen. En we snappen niet dat er mensen thuis zitten met een uitkering terwijl er zoveel werk ligt om de buurt op te knappen.

Precies op deze manier ontstaat de onvrede die Chris Aalberts beschrijft in zijn boek over de aanhang van Wilders. ‘Burgers zijn bang dat de wijk zal afglijden. Stemmen op de PVV is hun antwoord.’ Deze opgekropte frustratie kan worden samengevat in de uitspraak: ‘Met mij gaat het goed, maar met ons gaat het slecht.’ Het zal niemand verbazen dat volgens een SCP-onderzoek VVD’ers veruit de gelukkigste mensen zeggen te zijn, terwijl PVV’ers helemaal aan de andere kant staan. Zij wonen volgens Chris Alberts voornamelijk in “vooroorlogse arbeidersbuurten, wijken uit de jaren zestig en zeventig, verloederde wijken uit de jaren tachtig, VINEX-locaties en oudere delen van groeikernen.”

Over het Kanon en de Mug

Dat de parlementaire democratie in het huidige tijdsgewricht niet meer zo goed werkt, is een wagenwijd open deur. Zeker op wijk- en dorpsniveau zien we dat de verantwoordelijke ambtenaren meer bezig (moeten) zijn met elkaar dan met hun ‘doelgroep’. Want ze moeten voortdurend overleggen over wie verantwoordelijk is voor wat. Ook moeten ze achterhalen welke wet- en regelgeving op provinciaal, landelijk of EU-niveau in het geding is. En hoe de diverse oplossingen passen in de voorkeuren van hun ambtelijke en politieke bazen, die vaak voortdurend meebewegen met de ‘maatschappelijke conjunctuur’ op de sociale media.

Economisch gezien kun je deze voorbereidende activiteiten als indirecte kosten beschouwen, terwijl de directe kosten betrekking hebben op het ‘eindproduct’: de verbeteringen in wijk of dorp die uiteindelijk tot stand komen. Zodra in een organisatie de indirecte kosten niet meer in verhouding staan tot de directe, dan weet je dat de boel helemaal verkeerd zit. Alsof ze eerst een kanon gaan bouwen om een mug dood te schieten. Het gevolg is onder meer een gigantische doorlooptijd. Anders gezegd: de burger die in de wijk iets aankaart moet heel lang wachten tot er eindelijk iets gebeurt – als zijn klacht of verzoek überhaupt serieus wordt genomen.

Ook commerciële bedrijven laten de indirecte kosten, ook wel overhead genoemd, vaak enorm uit de hand lopen. Maar zij kunnen zich dit niet te lang veroorloven want dan gaan de de klanten gewoon naar de concurrent. Een overheidsorgaan daarentegen kan eindeloos doorgaan op de verkeerde weg. Het maakt ook niet uit of er een linkse of een rechtse meerderheid in de gemeenteraad zit, want in de praktijk staat deze systeemfout los van de politieke voorkeuren. En in tegenstelling tot een commerciële klant heeft de burger helemaal geen alternatieven, zodat een corrigerend mechanisme ontbreekt.

Decentralisatie – het overhevelen van taken en bevoegdheden van de rijksoverheid naar gemeenten – lijkt de zaak alleen nog maar erger te maken. Niet alleen moet er een nieuwe afdeling worden opgetuigd, al gauw blijkt dat er nóg meer overleg nodig is. Want de verticale lijnen – tussen gemeente en rijksoverheid – blijven toch bestaan, en moeten nu ook nog worden gecombineerd met horizontale lijnen. Daar komt nog eens bij dat gemeenten steeds groter moeten worden, vanuit de gedachte dat schaalvergroting de efficiëntie verhoogt en de dienstverlening verbetert. Weer zo’n veronderstelling die verkeerd blijkt te zijn.

Het is dus hoog tijd om het roer helemaal om te gooien. Gelukkig zijn er mogelijkheden. Op wijk- en dorpsniveau zou de parlementaire democratie – waarbij de gemeenteraad de beslissingen neemt en de ambtenaren die uitvoeren – zich moeten terugtrekken ten behoeve van een vorm van wijkdemocratie. De gemeente bepaalt dan de hoogte van het wijkbudget en de elementaire spelregels omtrent de verdeling ervan, maar de rest mag de wijk zelf bepalen. Nu is natuurlijk de vraag: hoe moet dat worden georganiseerd en uitgevoerd? Eerst zal ik twee voorbeelden geven van recente initiatieven waarbij een wijkdemocratie al wordt geprobeerd, in Nieuw-Dordrecht en in Groningen. Op basis van deze twee experimenten, en de fouten die hierbij gemaakt worden, presenteer ik mijn eigen voorstel.

In Nieuw-Dordrecht doen ze het zelf

Even terug naar november 2013. Enkele bewoners van Nieuw-Dordrecht, een dorp binnen de gemeente Emmen van ongeveer tweeduizend inwoners, richten een dorpscoöperatie op. Hun uitgangspunt is simpel: wat de gemeente doet, kunnen wij zelf veel beter en goedkoper. Voormalig coöperatiebestuurder Wim Hassink geeft in Vrij Nederland een voorbeeld: “De snelheid van het verkeer is hier in het dorp een groot probleem. Je kunt wel van die blauwe palen met handjes kopen, maar die kosten drieduizend euro per stuk. Met de verkeersgroep maken we die nu zelf voor vijfhonderd euro. Of we kopen ze tweedehands. Dergelijke efficiency kan een gemeente nooit bereiken.” Daarnaast is het voor een dorpscoöperatie veel makkelijker om de ingewikkelde aanbestedingsregels te omzeilen. Zo is de omlegging van een fietspad door vrijwilligers uitgevoerd voor een kwart van de normale prijs.

Op 5 oktober 2017 is de eerste stemronde over de zogeheten burgerbegroting van 18.000 euro. Dat is het bedrag dat de gemeente jaarlijks besteedt aan het onderhoud van groenvoorzieningen, de begraafplaats en het sportpark – dat nu door vrijwilligers wordt uitgevoerd. De dorpelingen kunnen het beschikbare bedrag verdelen over vijf ingediende projecten, variërend van het herstel van een gedenkmonument (500 euro) tot het opknappen van De Koepel (25.000 euro), zodat deze verwaarloosde accommodatie midden in het dorp voor allerlei festiviteiten kan worden gebruikt. Dat klinkt als een succesvol project. Toch zijn er in de uitvoering enkele moeilijkheden.

Het grootste probleem lijkt de houding van betrokken ambtenaren te zijn. Zo heeft het ruim twee jaar geduurd om de beschikbare burgerbegroting uit te rekenen. En de toezegging dat het dorp op een groot aantal terreinen ‘regelluw’ zou worden, betekende in de praktijk dat ambtenaren van geval tot geval bekeken wat wel en niet onder regelluw valt. Mede daardoor is het aantal gemeenteambtenaren niet gedaald, terwijl dat toch heel wat meer zou besparen dan die luttele 18.000 euro. Zoals gezegd: omdat de indirecte kosten meestal veel hoger zijn dan de directe.

Omdat het budget zo klein is, komt er een probleem bij, namelijk dat de projecten hoofdzakelijk of zelfs uitsluitend op vrijwilligers draaien. Dat geeft moeilijkheden als straks het enthousiasme van het eerste uur is weggeëbd. Of als de inwoners minder vrije tijd hebben. Zo werkt het grootste deel van de plaatselijke beroepsbevolking in de bouw, een branche die na enkele jaren van slapte weer op volle toeren draait. Het derde probleem is de rol van de dorpelingen die de drijvende kracht achter dit experiment vormen. Het eerste bestuur van de dorpscoöperatie moest in 2016 aftreden omdat de plaatselijke bevolking te weinig inzage kreeg. Wie kan garanderen dat dit niet nog een keer zal gebeuren? .

In Groningen doen ze het halfslachtig

Op het eerste gezicht lijkt het experiment in de Groningse Oosterparkbuurt meer perspectief te bieden. De Coöperatieve Wijkraad (CWR), die 1 januari jongstleden voor twee jaar van start ging, kan “vrij beslissen” over het beschikbare budget – maar liefst twee ton per jaar volgens Frank Brander, die vanuit de gemeente als aanjager bij dit experiment is betrokken. “Daarnaast kan de CWR invloed uitoefenen op de besteding van gemeentebudget die betrekking hebben op de Oosterparkwijk”, zo lezen we in de Spelregels.

Bovendien wordt in dit experiment het lotingssysteem gehanteerd. Maar omdat van de vijftig bewoners die zijn ingeloot slechts negen hebben toegezegd, is er een extra lotingsronde nodig om de twee nog resterende ‘vacatures’ op te vullen. De belangrijkste reden voor afzegging is dat de meeste mensen het volgens Brander veel te druk hebben. Gevolg is dat mensen met een uitkering, en dus met relatief veel vrije tijd, nu zijn oververtegenwoordigd in de CWR. Op deze manier is het belangrijkste voordeel van het lotingssysteem – dat alle lagen van de wijkbevolking zijn vertegenwoordigd – volledig verdwenen.

De geringe interesse uit andere lagen van de bevolking is niet vreemd. De CWR-leden ontvangen slechts 125 euro vrijwilligersvergoeding per maand. Volgens Brander is dit het maximale bedrag om te voorkomen dat een uitkeringsgerechtigde er netto op achteruit gaat. Voor een werkende wijkbewoner is zo’n ‘fooi’ natuurlijk te weinig om aan zo’n tijdrovende onderneming deel te nemen. Naast elf wijkbewoners telt de CWR zes leden van de gemeenteraad. Maar hoewel de raadsleden een minderheid vormen, hebben ze een grote voorsprong bij de uitvoering. Zodra de CWR een besluit heeft genomen, moet namelijk worden uitgezocht wie de klus het best of het goedkoopst kan klaren, welke ambtenaren hierbij betrokken worden, enzovoort. Hierbij kunnen de ingelote wijkbewoners niet anders dan zich grotendeels laten leiden door de raadsleden, die immers veel betere ingangen hebben in het gemeentelijk apparaat. Precies om die reden, de onvermijdelijke rol van ambtenaren en partijpolitieke belangen, ben ik ook sceptisch over de belofte dat de wijkraad ‘vrij’ kan beslissen over het beschikbare budget.

De belangrijkste doelstelling van het Groningse experiment zou iets moeten zijn als ‘meer zelfredzaamheid voor de wijkbewoners’. Maar wat lezen we in de spelregels? ‘Een grotere legitimiteit van besluitvorming; meer eigenaarschap in de wijk, van zowel de problemen als de oplossingen; meer betrokkenheid in de wijk en toename van diversiteit van betrokkenen; toename van efficiëntie en kwaliteit van diensten.’ Kortom: een ratjetoe aan doelstellingen waar de beleidsmaker alle kanten mee op kan, en waar de gemiddelde wijkbewoner niets aan heeft. Natuurlijk, dit pilotproject zal zijn gestart met goede bedoelingen. Maar als je dan ziet dat bij het eerste besluit de CWR niet verder komt dan het opruimen van zwerfvuil en hondenpoep, kun je je afvragen of die goede bedoelingen niet zijn verworden tot gewoon weer een nieuwe verhulling van een oude systeemfout: een kanon om op een mug te schieten.

Een markt voor gemeenschapsprojecten

Mijn voorstel voor lokale democratie gaat een stuk verder dan deze twee initiatieven. In het kort: creëer een markt voor wijk- en dorpsactiviteiten, hierna aangeduid als gemeenschapsprojecten.

Het algemene principe is dat iedere bewoner met voorstellen kan komen om de wijk fraaier, veiliger, en schoner te maken – grotendeels vergelijkbaar met de aanpak in Nieuw-Dordrecht. Daarnaast kan iedereen – ook mensen en organisaties buiten de wijk – een bijdrage leveren aan de realisering van de goedgekeurde voorstellen. Welke voorstellen worden goedgekeurd en door wie ze worden uitgevoerd, ligt volledig bij de Raad voor Wijze Wijkers (RWW) of Dorpelingen (RWD); de gemeente stelt alleen het wijkbudget en de spelregels vast.

De RWW bestaat louter uit wijkbewoners, dus geen ambtenaren of raads- en andere partijleden. Het lot bepaalt welke wijkbewoners zitting mogen nemen in de RWW, voor twee of drie jaar. Het lotingssysteem garandeert per definitie dat alle lagen van de wijkbevolking betrokken zijn bij de besluitvorming. Zo ontstaat een gezamenlijk gevoel – ‘dit is van ons en dit hebben wij bereikt’, eerder dan wanneer een paar buurtbewoners het voortouw nemen. Want ‘het voortouw nemen’ kan heel gauw omslaan in ‘de lakens uitdelen’, zoals je in Nieuw-Dordrecht en in veel wijkcomités kunt waarnemen.

De leden van de RWW krijgen geen fooi, zoals in Groningen, maar een redelijke beloning, uitgaande van het minimum uurloon. De leden van de RWW – die op persoonlijke titel optreden en dus formeel geen achterban hebben – beslissen over (ik doe maar een voorstel) de helft van het wijkbudget, zodat de geselecteerde projecten snel kunnen starten. Over de andere ingediende projecten vindt een stemming plaats waaraan uitsluitend wijkbewoners mogen meedoen die minimaal twee jaar in de wijk wonen. Ongetwijfeld roept mijn voorstel allerlei vragen op, die ik achtereenvolgens zal behandelen. Hoe verhoudt dit zich tot de bestaande wet- en regelgeving? Is het geen probleem dat door loting de RWW straks voor de helft bestaat uit laaggeschoolden? En waarom ineens over een markt beginnen? Wat heeft het verfoeide marktdenken met wijkdemocratie te maken?

Leren van de Chinezen, en van IBM

Zoals ze in Nieuw-Dordrecht aan den lijve hebben ondervonden, krijgt een wijkraad altijd te maken met allerlei regels, procedures en wetten die ooit parlementair-democratisch tot stand zijn gekomen. Dat betekent dat de wijkraad afhankelijk is van ambtenaren die voortdurend roet in het eten kunnen gooien bij de selectie en uitvoering van gemeenschapsprojecten, door zich te beroepen op de bestaande wet- en regelgeving.

Mijn oplossing voor dit probleem ontleen ik aan een van de pijlers van het economisch succes van de Volksrepubliek China. De leiders van dit land zaten in de jaren 80 met de volgende vraag: hoe kunnen we westerse kapitalistische bedrijven aantrekken – die we zo hard nodig hebben vanwege hun kapitaal, technologische kennis en toegang tot de Europese en Amerikaanse afzetmarkten – zonder onze socialistische planeconomie op te geven?

De Chinese overheid heeft dit dilemma opgelost door economische zones in te stellen. De westerse bedrijven die zich daar moesten vestigen, hoefden zich niet te houden aan de wet- en regelgeving die in de rest van China gold. En daarbij ging het niet alleen om de speciale belastingtarieven voor buitenlandse bedrijven, zoals men vaak denkt. Het principe van de economische zones is zó succesvol gebleken dat veel Aziatische en Afrikaanse landen deze bestuurskundige innovatie later hebben overgenomen.

Ook IBM, een van de grootste tech-bedrijven ter wereld, heeft dit principe toegepast. Om te kunnen overleven in de technologische revoluties die de afgelopen decennia in de computerindustrie hebben plaatsgevonden, heeft IBM op tijd een aparte afdeling opgericht, met als enige taak om te bedenken hoe de nieuwe concurrentie verslagen kon worden. Deze afdeling werd ver weg van het hoofdkantoor gevestigd, en hoefde zich niet te houden aan de procedures en spelregels die voor de rest van IBM golden. Vrijwel alle bedrijven die mainframes en later de minicomputers maakten – de verre voorlopers van pc’s – zijn inmiddels verdwenen, behalve IBM.

De RWW moet eveneens buiten de bestaande wet- en regelgeving kunnen opereren, en zonder bemoeienis van gemeentelijke politici en ambtenaren – maar natuurlijk wel met doelstellingen en spelregels die door de gemeenteraad worden vastgesteld.

Diplomacratie terugdringen

Dan het tweede bezwaar. Om wijze beslissingen over de wijk te kunnen nemen, daarvoor heb je toch een bepaalde basisopleiding nodig? Is het dan geen probleem dat bij loting de RWW voor bijna ruim een kwart bestaat uit laaggeschoolden? Om deze vragen te kunnen beantwoorden moeten we eerst twee concepten introduceren: diplomocratie en tacit knowledge, ook wel aangeduid als ‘persoonlijke kennis’.

Diplomacratie verwijst naar de nieuwe scheidslijn in de samenleving – die van opleidingsniveau – en is de titel van het boek dat bestuurskundigen Mark Bovens en Anchrit Wille in 2010 publiceerden. In hun ogen hebben we de opkomst van populistische partijen als de PVV grotendeels te danken aan de toenemende kloof tussen laag- en hoogopgeleiden. De laagopgeleiden zijn naar rechts opgeschoven omdat hun zorgen en problemen door de overwegend linkse hoogopgeleiden zijn genegeerd.

Dat brengt ons bij het tweede concept. Want door het steeds grotere belang dat wordt gehecht aan diploma’s, maken we onvoldoende gebruik van tacit knowledge. Dit concept, ontwikkeld door Michael Polanyi, kunnen we kortweg samenvatten met de uitspraak: je weet meer dan je (aan anderen) kunt vertellen.

Neem zoiets als fietsen. Om te kunnen fietsen heb je specifieke kennis nodig, maar probeer die kennis maar eens te verwoorden. Aan iemand die nog nooit heeft gefietst kun je onmogelijk uitleggen wat hij moet doen om zich overeind te houden op twee smalle bandjes. Het is een kwestie van kijken, van proberen met vallen en opstaan. Het maakt niet uit wie jou leert fietsen, de winnaar van de Tour de France of iemand die af en toe een ommetje fietst. Heb je kennis van fysica of van bewegingswetenschappen nodig om te leren fietsen? Dat je geen uitgebreide scholing nodig hebt om goed te kunnen functioneren – dus dat laaggeschoolden vaak even ‘deskundig’ zijn als middelbaar of hoger opgeleiden – is van toepassing op veel activiteiten in het sociale domein. Denk aan het opvoeden van kinderen. En het geldt ook voor de selectie van gemeenschapsprojecten op wijkniveau. Je hebt immers geen opleiding of speciale expertise nodig om te weten wat goed is voor de buurt.

Dat neemt natuurlijk niet weg dat de RWW soms experts moet inschakelen om de mogelijke consequenties van bepaalde beslissingen te kunnen overzien, zoals de jury in het Amerikaanse rechtssysteem eveneens deskundigen kan raadplegen. Ook daar is de selectie van juryleden op loting gebaseerd, zodat er sprake is van een combinatie van laag- en hoogopgeleiden. Volgens Theo de Roos, hoogleraar strafrecht in Tilburg, zijn er geen duidelijke aanwijzingen dat juryrechtspraak op het gebied van gerechtelijke dwalingen en strafmaat tot andere uitkomsten leidt dan de Nederlandse rechtspraak. Mensen die beeld en geluid nodig hebben om zich te laten overtuigen, verwijs ik naar de film 12 Angry Men, met een mooie hoofdrol voor Henry Fonda.

De twee gezichten van de markt

De derde vraag – wat heeft het verfoeide marktdenken met wijkdemocratie te maken? – roept ongetwijfeld de meeste emoties op, en ook de meeste misverstanden. Ik moet altijd grinniken als notoire tegenstanders van het marktdenken enthousiast vertellen over een of andere markt waar ze hun boodschappen doen. Ze hebben blijkbaar niet door dat de markt twee gezichten heeft. Aan de ene kant is er de zogeheten ‘vrije markt’, die binnen de kortste keren ontaardt in cut throat competition of juist in onderlinge prijs- en andere afspraken. En deze markt zie je terug in de vorming van mega-concerns die door fusies en overnames groot genoeg zijn geworden om de regels van het spel naar hun hand te zetten. Met als uitkomst dat de kleintjes het onderspit delven, waarvan de consument de dupe wordt. Kijk naar een willekeurige maffiafilm en zie daar het meest extreme voorbeeld van een vrije markt: de handel in illegale goederen, zoals in alcohol ten tijde van de drooglegging in de VS. En heden ten dage de markt voor hard- en softdrugs.

Aan de andere kant is er de ‘georganiseerde markt’. Daar valt veel positiever over te oordelen – althans, wanneer zij is gebaseerd op simpele regels en principes die voor alle marktpartijen begrijpelijk zijn en door iedereen als redelijk en rechtvaardig worden beschouwd. Een mooi voorbeeld is het Duitse energiebeleid.

Vanaf 2000 besluit de Duitse overheid om minder afhankelijk te worden van kernenergie, door wind-, zonne- en andere groene energie flink te stimuleren. Zij richt zich onder meer op boeren en tuinders als nieuwe energieproducenten. Om deze ‘Energiewende’ te realiseren, hanteert zij een paar simpele principes. Zoals een afzetgarantie: alle groene stroom wordt afgenomen door het regionale elektriciteitsbedrijf. Verder krijgen de boeren en tuinders een vaste afzetprijs die 20 jaar wordt gegarandeerd. Deze nieuwe energieproducenten kunnen op deze manier heel makkelijk uitrekenen of het financieel aantrekkelijk is om zonnepanelen te plaatsen of windmolens te laten bouwen. Ze hoeven immers alleen enkele offertes laten maken voor de aankoop- en installatiekosten.

Naarmate meer boeren groene stroom produceren, gaat de dagprijs voor groene energie dalen, zoals je mag verwachten bij meer aanbod en een gelijkblijvende vraag. De lagere dagprijs geldt niet voor de agrariërs die al zijn overgestapt, maar alleen voor degenen die op die dag instappen. Voor deze achterlopers is de lagere garantieprijs echter geen obstakel omdat ze kunnen profiteren van leereffecten en lagere investeringskosten; denk aan de enorme prijsdaling bij zonnepanelen. Kortom, door een slim marktmechanisme te construeren hebben de Duitsers veel meer bereikt dan de Nederlandse overheid met haar onoverzichtelijke opeenvolging van steeds weer nieuwe kleine subsidiepotjes.

Bij een markt zijn er aan de ene kant mensen en organisaties met specifieke behoeften (de vraagzijde) en aan de andere kant mensen en organisaties die aan hun wensen willen en kunnen voldoen (de aanbodzijde). Het marktmechanisme moet ervoor zorgen dat vraag en aanbod op elkaar worden afgestemd, wat meestal geleidelijk en door trial and error geschiedt. Dit aanpassingsproces krijgt in mijn voorstel gestalte doordat de RWW een platform creëert (niet alleen via internet) waarop vragers en aanbieders hun voorlopige ideeën kenbaar kunnen maken. Zodat anderen de mogelijkheid hebben om daarop te reageren en vruchtbare ideeën kunnen uitgroeien tot levensvatbare gemeenschapsprojecten, waaruit de RWW vervolgens een selectie maakt.

Aanbesteding is geen oplossing

Een dergelijk marktmechanisme – grotendeels volgens de benadering van Hayek – is duidelijk op een heel andere leest geschoeid dan de bureaucratische, ingewikkelde en weinig transparante aanbestedingsprocedures die neoliberale economen en politici hebben verzonnen om marktwerking te stimuleren in het (semi-)publieke domein. Want dit marktinstrument bevriest juist het zoek- en aanpassingsproces dat volgens Hayek het marktmechanisme zo superieur maakt. Wederom een gevalletje kanon-mug. In mijn voorstel zijn het een paar simpele spelregels die voor voldoende concurrentie zorgen: iedereen kan een gemeenschapsproject indienen, en iedere buurtbewoner kan kennis nemen van deze projecten en daarover een stem uitbrengen.

Een ander nadeel van de aanbestedingsprocedure, zeker in tijden van bezuinigingen, is dat vooral op prijs wordt geconcurreerd, waardoor slechte projecten met een lage prijs het winnen van goede projecten die wat duurder zijn. In mijn voorstel wordt prijsconcurrentie daarom bewust uitgeschakeld, door slechts één prijsniveau te hanteren: iedereen die meedoet aan de uitvoering van een gemeenschapsproject, of zitting heeft in de RWW, krijgt het minimum-uurloon. Op deze manier zal de RWW de ingediende voorstellen louter op inhoudelijke gronden beoordelen, en niet op prijsverschillen.

Het minimumloon is ook gekozen omdat het een prikkel vormt voor mensen met een lager inkomen, zodat bijvoorbeeld mensen met een bijstandsuitkering er financieel op vooruitgaan, wanneer zij (full- of parttime) een bijdrage leveren aan de uitvoering van een gemeenschapsproject. Voor mensen die méér verdienen dan het minimumloon is het een middel om hun intrinsieke motivatie te tonen: ‘Ik doe niet mee om mijn eigen beurs te spekken maar omdat ik het project zo leuk en waardevol vind.’

Waarom een minimum-uurloon? Omdat we moeten aanmoedigen dat zo veel mogelijk mensen een bijdrage leveren, en dat kan voor velen alleen als ze het kunnen combineren met hun eigen baan (waar ze vaak aanzienlijk meer verdienen). Zelfs een miljonair kan zich beschikbaar stellen, maar hij krijgt niet meer dan het minimum-uurtarief.

Noodtoestand met code superrood?

Vroeger stemde Jan met de Pet meestal links, tenzij hij zich bij een katholieke of protestantse zuil meer thuis voelde. In het huidige tijdsgewricht stemmen de laagopgeleiden overwegend rechts. Zoals vroeger de meeste arbeiders weinig vertrouwen hadden in de praatjes van de rechtse bovenklasse, zo hechten de mensen die nu aan de onderkant leven weinig waarde aan de plannen die de – meestal (gematigd) linkse – hogeropgeleiden voor hen hebben verzonnen.

Dit gebrek aan vertrouwen – misschien onterecht vanuit de plannenmakers bezien maar meestal terecht als je het perspectief van hun ‘doelgroep’ hanteert – geldt ook voor de rechtspraak. Het SCP meldde eind vorig jaar dat 66 procent van de hoogopgeleiden (zeer) veel vertrouwen in de rechtspraak heeft, tegenover 39 procent van de middelbaar opgeleiden en slechts 28 procent van de laagopgeleiden. Vermoedelijk is dit laatste percentage nog te optimistisch, want lageropgeleiden doen niet graag mee aan enquêtes.

Is het overdreven om te spreken van een noodtoestand met code supperrood?

Een noodtoestand vraagt om radicale oplossingen, dat kunnen we leren van de nationaal-populistische partijen. Nóg meer politici, ambtenaren en sociale wetenschappers erbij betrekken werkt averechts, vooral voor de mensen aan de onderkant van de samenleving. We moeten juist vrijplaatsen creëren waar ze niet te veel worden lastiggevallen door allerlei regeltjes, en dus ook niet door ambtenaren die deze moeten interpreteren, uitleggen en controleren. De gemeente moet zich vooral richten op het faciliteren van uiteenlopende experimenten met de wijkdemocratie. Want alleen door trial and error kunnen we achterhalen wat wel en wat niet werkt.


Auteur: S. de Beter (bekend van het blog Eco Simpel)

Een uitgebreidere versie is hier te vinden

 

« Naar overzicht